Last minute…
Zoals altijd pakte ik alles weer last minute in. Maar omdat we het vertrek naar Schiphol zo ruim hadden genomen was dat geen probleem. Op Utrecht Centraal kwam ik Gj tegen die zich als een ware survivalist in army kleuren had uitgerust, met zijn veel te zware backpack (dag 2 had hij nog steeds spierpijn).
Op Schiphol gingen we meteen inchecken en al gauw kwam Babet ook aan met haar uitzwaaicrew. We gingen nog wat eten bij de Burger King (yummy!) en daarna moesten we al door de douane. Helaas ging Babet met een internationale vlucht naar Nairobi en wij bleven eerst nog binnen Europa want we gingen naar Parijs. Na de paspoort controle zaten we dus in andere plekken op Schiphol en we zagen elkaar niet meer tot aan Johannesburg.
Voor we vertrokken gingen Gj en ik eerst nog even een hoop mensen bellen en sms’en en toen was het al instaptijd. De vlucht naar Parijs was maar een uurtje en we hadden op De Gaule in principe genoeg overstap tijd doch daar stak een checkpoint een stokje voor. Want voordat we nog maar het doolhof van De Gaule hadden betreden moesten we wachten voor een simpele paspoort en ticket controle. Wat een korte wacht had moeten zijn duurde meer dan een half uur, tot na onze officiële boarding time. Eerst was er zelfs maar 1 official en die leek nogal grumpy. En toen er een 2de bijkwam zaten ze vooral onder elkaar te kletsen. Eindelijk waren we aan de beurt en na een run door een leeg vliegveld doolhof kwamen we hijgend vlak voor vertrek aan bij de welbekende check waar je ook je schoenen dient uit te doen. Ook mijn schoenen moesten uit en daar dit bergschoenen waren was het niet even van ‘floep’. Mijn ongeduld nam toe, maar ach, we gingen naar Afrika en dit soort toestanden waren daar natuurlijk te verwachten. Wel leuk dat het al in Europa gebeurde.
Toen we bij het vliegtuig aankwamen werden we meteen gerustgesteld door de stewardessen dat we onze vlucht hadden gehaald. En vervolgens konden we nog eens 15 minuten in de slurf voor het vliegtuig wachten voordat we naar binnen mochten vanwege een last-minute telling van alle passagiers.
In het vliegtuig heb ik vooral geslapen en een film gekeken (G.I. Joe, wat een hoop flauwekul aan testosteron en special effects zeg!). Er was maar weinig turbulentie boven de Sahara, de meeste was nog wel toen we de Alpen overvlogen. Langzaam kwam Zuid Afrika dichterbij.
Johannesburg…
In Johannesburg was het meteen warm en na een half uur bij de bagage band te hebben gewacht voor mijn bagage kwamen we erachter dat deze niet aanwezig was. Na een check bleek dat deze nog in Parijs was achtergebleven (grumbl!) maar ach ja, shagata ga nai…
Bij de uitgang stond iemand op ons te wachten van het verhuurbedrijf. We moesten nog een half uur op Babet wachten en allereerst leek het alsof dat een probleem ging worden voor deze persoon maar deze bleek uiteindelijk super easy te zijn.
Babet kwam vervolgens eindelijk aanlopen, inclusief tas, en we gingen naar buiten. Ietsje later kwam de man met ons autotje aan gereden, een witte Ford Fiesta! Een feest indeed… We pasten er allemaal in plus onze tassen (natuurlijk gelukkig zonder die van mij) en we gingen naar het verhuurbedrijf voor de paperwork. Nadat dat geregeld was gingen we weer naar het vliegveld terug want Marloes, de zus van Gj, en haar man Rowy zaten op ons te wachten in een parkeergarage. Marloes en Gj hadden elkaar al jaren niet meer gezien dus het was een speciaal weerzien. We gingen door naar een winkelcentrum om te lunchen (mijn eerste Zuid Afrikaanse bananenmilkshake) en wat kleding voor mij te kopen bij Mr Price, een winkel die ik nu in NL mis. Gj kon zich niet inhouden en at een big-ass stuk chocolade taart (net zo groot als ze in de VS serveren). Grappig om te zien was dat de supermarkt een Spar was, die ik in NL alleen ken als een simpele buurtsuper op de waddeneilanden, maar hier was deze immens.
Volgeladen, na ook nog een visit aan een liquorstore, kwamen we bij Marloes en Rowy hun appartement aan. Daar gingen we lekker chillen tot 1 uur ‘s nachts, want toen was het twaalf uur in NL, oftewel 2010!
Rondrijden in een geindustrialiseerd Toscane…
De volgende dag, Vrijdag, stonden we lekker laat op en gingen we een beetje rondrijden. Voordat we wegreden werd mijn tas bij Marloes en Rowy bezorgd. Eerst gingen we naar een mall, maar de winkels waren niet open. Een fastfood tent genaamd Spur werd uitgekozen om te lunchen. Daar was de bananen milkshake weer heel lekker. We wilden naar de film Avatar maar de bioscoop in de mall was ook al niet open. Daarom gingen we naar Montecasino, een overdekt complex net als ze in Las Vegas hebben (had ik begrepen van Werk Wendy die daar was geweest). Het was mijn eerste blik in hoe groot het verschil tussen arm en rijk in Zuid Afrika is. Eerder die dagen zag ik een zwerver op de stoep liggen met iets van karton als schoenen. Wel schijnt dit ook nog wel eens gedaan te worden om zieligheid op te wekken zodat mensen geld geven.
De Montecasino daarentegen was als een tropisch eiland in een oceaan met haaien. Zo’n gevoel kreeg ik al een beetje toen we de beveiligde compound van Marloes en Rowy inreden. Al was de beveiliging daar niet zo heftig. Ook hoorde ik dat met kerst de bewakers waren overvallen en mensen de compound binnen waren gedrongen. Uiteindelijk hadden overvallers zich overgegeven, maar toch… En vandaag (19 Februari 2010) hoorde ik dat Marloes en Rowy in hun slaapkamer at gunpoint zijn overvallen begin deze week! Ze zijn heel shaky maar zijn er gelukkig heelhuids van afgekomen, wel is er geld gestolen en een paar andere dingen. Ziek!
In Jo’burg hop je met je auto dus van beveiligd eilandje naar eilandje. Op alle auto’s in de provincie Gauteng waar Jo’burg in ligt eindigt het nummerbord met GP, wat voor velen staat voor Gangsters Paradise… Onderweg in je auto kijk je goed rond bij kruispunten als je moet stoppen voor rood. Altijd doe je de autodeuren op slot. En ‘s nachts rij je liever niet. Gezien de donkere wegen zonder straatverlichting kan ik me dat wel voorstellen. Deze info had ik in ieder geval van Gj en Germari meegekregen, maar Marloes en Rowy waren een stuk nonchalanter (nu waarschijnlijk niet meer…). Het was zo van “je hoort altijd over overvallen enzo, maar zelf maak je het niet mee”. Want zelfs de compound overval tijdens de kerst was langs hun heen gegaan. Laatst echter waren ze waarschijnlijk specifiek getarget, want zij zijn de enige blanken in de compound.
Er was nog iets vreemds aan Jo’burg. Het voelt namelijk niet echt aan als een stad, niet zoals New York en Tokio. Het is meer zoals de randstad met heel veel groen. Het schijnt ook de groenste stad te zijn ter wereld. Met haar rolling hills waar zo nu en dan plukken van bebouwing zichtbaar waren leek het net een geindustrialiseerd Toscane, erg vreemd. Het zag er zodoende meer uit als een aaneenschakeling van ommuurde dorpen. En langs de weg zie je steeds allemaal zwarte mensen lopen. Aan de weg worden ook dingen verkocht. Je zou dan misschien denken dat alle mensen in de auto’s blank zijn, maar dat is niet zo.
Avatar en Mars…
Om terug te komen op Montecasino, waar we heen gingen voor de film Avatar. Het complex zag er meteen groots Amerikaans uit. We parkeerden onze auto in een immense parkeergarage tussen veel erg dure auto’s. Van de parking liepen we het overdekte complex binnen waar de sky was geschilderd op het plafond. Het zag er meteen nep Italiaans uit met allemaal straatjes en winkeltjes. Je zag fietsen staan en stopborden, allemaal voor de sier. Alles was dus opgevuld met allerhande winkels plus de bioscoop. We wilden allemaal erg graag naar Avatar en daar deze in 3D was kregen we allemaal een speciaal brilletje. De kwaliteit van 3D was zo veel beter dan ik eerder had gezien bij Ice Age 3. En de film? Deze was echt GEWELDIG! Echt ongelofelijk mooi. Naast natuurlijk briljante special effects zat er ook een mooi verhaal achter. Het zet je weer eens aan het denken hoe kapitalisme de natuur kapot maakt. James Cameron heeft weer eens iets briljants gemaakt.
Die avond zaten we bij Marloes en Rowy nog wat na te praten over kapitalisme en hoe het beter kan. Toen bedacht ik me dat ik al die ruimtevaart ideeen en techniek ook op Aarde kan toepassen. Waarom niet de ideeen achter het boek Red Mars van Kim Stanley Robinson op Aarde toepassen. Het komt overeen met het besef hetgeen ik recentelijk had: de vrijheid die de main characters John Boone en Coyote ervaren tijdens hun rondreizen over het oppervlak van Mars. De leegte. Dat kan ook op Aarde. Dat gevoel, daarvoor hoef ik niet naar Mars. Daarom wil ik mijn rijbewijs. En verder zou ik wel graag met ruimtevaart bezig blijven.
Inkooptijd…
De dag erop was het inkooptijd. In een outdoorwinkel kocht ik een mooie hoed en in de supermarkt (die tegelijkertijd ook een soort Gamma was en een kledingwinkel) kochten we voor 1400 Rand aan spullen.
Tussen alle inkopen in hadden we nog een enorm geluk: onze Ford deed vreemd, dus we belden de verhuurder op en na aandringen van Marloes kregen we voor dezelfde prijs een betere Ford Fiesta! Eentje met minder kilometers en hij was groter. Marloes probeerde verder van werk vrij te krijgen maar dat lukte helaas niet. Wel zou ze later over komen vliegen naar Malawi. Die avond liet Marloes haar websites zien waar ze aan had meegewerkt als graphic designer, dat was echt impressive!
Start van de roadtrip…
Dan was nu eindelijk de dag aangebroken dat we weggingen. De auto werd propvol geladen en ik ging achterin zitten, waar nog een klein plekje vrij was. Dag een was het de bedoeling om tot Nelspruit te komen, ongeveer 350 km. Jo’burg waren we al snel uit en het glooiende landschap met shrubs bleef lang hetzelfde. We kwamen allemaal Nederlandse namen tegen zoals Middelburg, en de weg die we namen (de N4) was een tolweg waar voor de slagboom stond ‘wait for the boom’.
Op een gegeven moment reden we een kloof in, eindelijk hield het hoogplateau op (Jo’burg ligt 2500 m boven zeeniveau). We zagen super mooie ontsluitingen van geel gesteente uit het Perm (aldus Gj die de geologie van ZA na een jaar Stellenbosch goed kende) en het landschap werd nu echt heel mooi. In Nelspruit bleek dat de camping waar we heen wilden in Sabie nog 50 km was. Het was een super mooie rit. Op een gegeven moment zag ik een aaneenschakeling van golfplaten huisjes. Het leek heel armoedig. De weg ging verder en vlak voor Sabie begon de benzine teller te knipperen. Gelukkig bleken er in Sabie vele benzine stations te zijn. Bij Merry Pebbles namen we voor een nacht een kleine ‘cabin’. Het was echt warm en vochtig buiten wat nog veel erger zou worden in Mozambique.
De grens van Mozambique…
Van Sabie gingen we eerst naar Nelspruit terug voor het Mozambiquaanse Consulaat. Dit was gelegen in een achterbuurt waar iedereen arm was, ook de blanke Zuid Afrikaners. We parkeerden de auto op een parkeerterrein van een supermarkt waar de blanke Afrikaners op ruige volksbuurt types leken.
Het consulaat vroeg 600 Rand per persoon. Wij hadden zoiets van, we proberen het aan de grens, dus reden we door. Net voor de grens kwamen we tijdens een plaspauze en Afrikaner tegen die zei dat als we geld wilden wisselen we bij het volgende benzinestation op zoek moesten naar een mevrouw op een stoel met een dikke buidel. Vol met geld. De exchange rate was 4 Mts (meticais) voor 1 Rand. En ja hoor, bij het volgende benzine station zat daar een dikke mevrouw met een dikke buidel te chillen in de schaduw. Ik was de uitverkorene die met Mts op zak mocht, het werd al een stevige bundel flapjes.
Aan de grens ging Gj eerst de boel checken, wat we in moesten vullen en of het in de auto kon (we wilden de auto liever niet alleen laten). Eerst zou het 510 Rand per persoon zijn maar we vroegen het een Afrikaner die ook zat te wachten op een visum en die zei dat het echt niet zo duur hoorde te zijn. Dus gingen we met haar weer naar binnen en dit hielp, de personen achter het loket bleken ineens te hebben bedoeld dat het 510 Rand in totaal was! Ze probeerden ons blijkbaar af te zetten. Na nog een hoop gestempel en het schijnbaar officieel checken van de auto (“is okay”) konden we de grens over. Toen kwamen we pas echt in Afrika.
Nu pas echt Afrika…
We volgden de weg richting Maputo. Het begin enorm te regenen en het landschap was vol begroeing maar plat. Ineens was daar Maputo. We probeerden zo snel mogelijk de stad uit te komen. Wel zijn er een aantal zaken blijven hangen. Allereerst zagen we ineens een reclame van het wasmiddel Omo, van Unilever. Die schijnt daar ook te opereren. Ook later in Malawi kwamen we veel Omo reclames tegen. Vervolgens zag ik iemand met zo’n oud rood PTT-Post jasje. Daar ga je dan stevig over contempleren, hoe dat jasje daar gekomen is. Op een gegeven moment zag ik in de verte een enorm megalomaan voetbalstadium in aanbouw. Zouden ze in Mozambique hopen om ook een WK te hosten? Na de drukte van Maputa was het weer leeg, met zo nu en dan een dorpje. Daar zag je vaak felgekleurde betonnen gebouwtjes. De kleuren waren van reclames: coca cola rood, mcel geel of vodacom blauw.
Afrikaans rijden…
Het eerst echt ‘Afrikaanse rijden’ maakten we mee bij een tolweg ingang. De meerdere rijen auto’s moesten proberen zich door heel wat minder doorgangen te wringen (er waren er maar 3 voor personenauto’s en kleine (Toyota) busjes, waar er HEEL VEEL van zijn). Gj liet zijn rijkunst zien toen in de rij voor ons een vrachtwagen stond die de boel ophield omdat deze een andere doorgang had dienen te nemen. Het werd dus wachten want de tolmedewerkers leken nogal besluitloos. Door mocht niet, en terug kon niet. Dus moest Gj proberen achteruit te gaan, en zonder gebots wisten we de naastgelegen baan te bereiken. Yeay!
Een ander onderdeel van het Afrikaanse rijden was het vermijden van potholes, gaten in de weg. Daarvoor had je een PHD nodig, dan ben je PotHole Dodger! Potholes begonnen vanaf Maputo richting het noorden veelvuldiger voor te komen. De hele tijd zag we steeds ZA’ers de andere kant op rijden. Die reden allemaal in 4×4’s plus aanhanger met een boot, of jetski’s. We reden door tot we bij schemering Xai Xai bereikten, aan de kust, na 400 km gereden te hebben vanaf Nelspruit. Daar sliepen we weer in een ‘cabin’, vlakbij het strand. De meeste toeristen daar waren Zuid Afrikaners, al was het al best leeg want het was al naseizoen. We kwamen ook nog 3 Nederlanders tegen die lekker door Mozambique aan het trekken waren. Twee waren van pensionado leeftijd, de ander rond de 40-50. Het strand was heel mooi, behalve dan de vele leftovers van menselijke activiteit. We liepen ‘s avonds over het strand met onze zaklampen en bij de zee zag je 100den krabbetjes die wegrenden door de lichtstraal, heel gaaf. Ze waren ook anders dan NLse krabben, meer hoekig en blauw/grijzig van kleur.
Langs de zee…
De dag erop reden we door langs de kust. Het was naar mijn herinnering deze dag dat we een grote hoeveelheid potholes op de weg tegen kwamen. Of ja, er waren zoveel potholes dat je meer kon spreken over leftover asfalt mesa’s. Dit hield 100 a 200 km aan. Zodoende duurde dit deel erg lang en we reden ook vaak langs de weg op een zandpad. Het was een 1ste en 2de versnelling, soms 3de type weg met een veelvoud aan geïmproviseerde bochten. In de tussentijd kon je soms gedurende de dag een glimps opvangen van de zee. Op een gegeven moment was er een uitkijkpunt waar je de zee kon zien. Er waren barrier eilanden te zien met ervoor azuurblauwe lagunes, inclusief de stereotype witte strandjes met palmbomen. Dat was echt ongelofelijk mooi! We reden door en uiteindelijk kwamen we bij die lagune uit. Dat was denk ik wel het mooiste strand wat ik tot nu toe gezien heb.
We reden door en die avond kwamen we bij een plaatsje uit waar volgens de Lonely Planets (hierna gereduceerd tot LP) de Baobap Lodge was. We hadden 400 km van Xai Xai erop zitten. De Baobap Lodge bleek wederom vlakbij het strand te zijn en we konden er een cabin krijgen. Op het strand waren allemaal schelpen en brokken koraal waar ik er vele van heb verzameld. Ook waaide het en zag je Barchan duinen die ik ook van Vlieland ken. De geur van het strand was trouwens ook hetzelfde als het Vlielandse Noordzee strand. Die avond zagen we ook een maansverduistering. En dat met de heldere sterrenhemel was erg indrukwekkend.
Muggen en een schorpioen…
Die avond aten Gj en ik een enorme kip en Babet een hoop garnalen. Daar zag ik ook sinds een lange tijd weer de sterrenhemel, in vol ornaat. Prachtig! Terug bij de cabin gingen we voor de eerste keer echt antimuggen spray spuiten en sliepen we in een antimuggennet. We just entered malaria country… Ook zag ik sinds tijden weer eens een schorpioen. Die was een holletje aan het graven in het zandpad. Een klein jongetje kwam kijken toen ik met m’n licht ernaar scheen. Hij porde ernaar met een stokje en sloeg hem daarna dood. Hij liep op blote voeten, dus ik kon het me wel voorstellen.
China aan het werk…
De volgende dag reden we het binnenland in en zagen we de kust niet meer helaas. Uren en uren zagen we voornamelijk rieten huisjes en ik kreeg het gevoel dat we ver van de bewoonde wereld waren. Op een gegeven moment moesten we zeker 200 km links van de weg op het zandpad rijden want ze waren bezig met de weg. Je zag dat ze om de zoveel meter stokken in de grond deden en zo nu en dan zag je machines. De machines hadden Chinese tekentjes. Ook zag je soms een opzichter die er Chinees uitzag. Het werd helemaal duidelijk toen in het midden van de wegwerkzaamheden (daar kwam ik later achter), na ongeveer 100 km, een grote compound zichtbaar werd met in het Chinees en Engels een tekst die naar mijn herinnering er ongeveer zo uit zag: “Chinese road works to benefit country of Mozambique”, of zoiets.
De Beira-Zimbabwe weg…
Die avond kwamen we weer in de bewoonde wereld. Deze was gesitueerd langs een weg die Oost-West liep, tussen Zimbabwe en de Mozambiquaanse havenstad Beira. Je zag allemaal vrachtwagens langsrijden. Het begon donker te worden en we hadden benzine nodig, en alleen nog maar genoeg geld voor benzine. Dus reden we eerst met de weg mee richting Beira, op zoek naar een benzine station. Na een aantal kilometers vonden we deze eindelijk, maar toen was ons geld op, dus moesten we pinnen. We reden dus maar weer terug met de weg mee. Het bleek dat westelijker, richting Zimbabwe, stadjes met hotels waren. Dus gingen we die kant op. Het werd steeds donkerder maar de weg was heel nieuw en zat vol met reflectoren. Dit moest een belangrijke transport route naar Zimbabwe zijn blijkbaar.
Eindelijk kwamen we in een stadje en zagen we een ATM (pinautomaat). Na wat rondvragen bleek een stad verder een hotel te bevatten dus we reden weer door. Nu was het helemaal donker. Op een gegeven moment zagen we allemaal lichtjes in de verte opdoemen, het moest best een groot stadje zijn! We vonden het hotel gemakkelijk en die avond zaten we blij een hamburger weg te werken op het dak van het hotel waar het restaurant gesitueerd was.
De alternatieve langere route…
Die ochtend reden we door en we hoopten gedurende die dag Malawi te bereiken. Bij de Zambezi rivier aangekomen zagen we een grote hangbrug. Er bleek echter onduidelijkheid of de weg die Gj wilde nemen, en die beschreven stond in de LP, wel begaanbaar was. Er zou een treinbrug over de Zambezi zijn verderop naar het westen waar je ook met de auto overheen kon. De mensen die we het vroegen zeiden echter allemaal dat de brug niet voor auto’s begaanbaar was. Na veel getwijfel en gevraag en de, alleen voor auto’s bestemde, Zambezi hangbrug wel 3x overgestoken te zijn (heen, terug, heen), en, omdat het een tolbrug was, 80 Mts keer 3 armer te zijn, namen we toch maar de alternatieve langere route in noordelijke richting. Deze bleek nogal een omweg, maar was voor ons de enige zekere manier om Malawi te bereiken. De route bracht ons wel noordelijker gelukkig, maar ook steeds oostelijker. En het werd ook steeds leger om ons heen, al was de weg gelukkig wel nog asfalt. Ergens langs de asfalt weg moest een afslag naar het noordwesten zijn, dat stond op de kaart tenminste. We konden deze maar niet vinden. Een paar keer zagen we kinderen die dingen probeerden te verkopen langs de weg, in the middle of nowhere. Daar kunnen de NLse kinderen nog wat van leren.
Het werd steeds donkerder en een onweersbui was te zien aan de horizon. Na uren gereden te hebben kwamen we aan bij het stadje waar een afslag richting Mulanje, Malawi, volgens de kaart zou moeten zijn. Dit gingen we echter pas de volgende dag uitzoeken, eerst een slaapplaats want het was al donker. We stopten bij een benzinestation om te vragen naar een hotel toen het ineens enorm begon te regenen. Babet en ik stapten uit om te vragen en we raakten doorweekt in een paar seconden. Ook dreven onze flipflops van onder onze voeten weg. Gelukkig bleek er in het stadje een hotel te zijn en toen we die vonden was de regen alweer opgehouden. We aten bij een klein restaurantje, waar een of andere gladde soap uit Brazilie aan stond. Allemaal witte Brazilianen op TV en alleen maar zwarte restaurant customers om ons heen. Alleen de Portugese taal verbond deze twee verschillende werelden met elkaar. Niemand behalve wij keken naar de TV. We aten weer een groot stuk kip, dat schijnt normaal te zijn in Afrika.
Eindelijk Malawi…
De dag erop was eindelijk het laatste stukje van onze reis naar Malawi aangebroken. We vonden de weg richting Mulanje gelegen naast het tankstation van de vorige avond. Het bleek een dirtroad te zijn. Na vele uren rijden in de middle of nowhere, na toch constant hutjes en mensen (op fietsen) te hebben gepasseerd, en zo nu een dan een vrachtwagen (ook een kapotte) werd de berg Mulanje steeds groter aan de horizon. Net voor de grens was er ineens een stadje met een asfalt weg. Bij de grens moesten we een formuliertje invullen waarna we bij de customs van Malawi aankwamen. Na nog meer formuliertjes en financiele onkosten konden we eindelijk de grens over.
Gj reed en ik grapte naar hem dat hij niet nu aangehouden diende te worden vanwege zijn Internationale Malawiaanse rijbewijs. Zijn Malawiaanse document moest hij nog regelen in Blantyre. Vijf seconden later was er een checkpoint. Gj moest zijn rijbewijs laten zien maar dat bleek niet het probleem. We konden namelijk geen verzekeringspapieren tevoorschijn toveren. In ieder geval niet diegene die de agent wilde zien, 3rd Party Insurance. Volgens de agent reden we zodoende onverzekerd rond. We hadden zelfs heel Zuid Afrika en Mozambique onverzekerd gereden. De agent wilde eerst 5000 Kwatchas (200 K is ongeveer 1 euro, dus 25 euro) per persoon laten betalen maar Babet en Gj konden de man in zijn office overtuigen terwijl ik in de auto zat te wachten (de ramen waren nog open en Gj had de sleutel). Het lukte Babet en Gj om de man te overtuigen, want ja “we waren wel de grens overgekomen zonder problemen”. En Gj was de zoon van een bekende Malawiaan en dat scheen gewicht in de zaak te werpen. We mochten door indien we meteen een verzekering gingen kopen. De agent gaf ons een adres in een naburig stadje waar we zo snel én voorzichtig mogelijk heen reden. We vonden de insurance shop gemakkelijk, parkeerden de auto en liepen naar binnen. Het was een super kleine office met een paar banken en een buro. Daarachter zat een vrouw achter een computer. Na enig uitleg bleek dat we te weinig Kwatchas hadden dus moesten we gaan pinnen. Gj en ik gingen naar de ATM maar onze passen werkten op een of andere manier hier niet. Babet had gelukkig nog wel genoeg Rands en daar mochten we ook mee betalen. De vrouw ging op een grote rekenmachine proberen te achterhalen hoeveel Rands wij dan wel niet moesten betalen. Echter dit leek niet volledig goed te gaan. Ze bleek namelijk niet echt te kunnen rekenen en belde iemand op. Op diens aanwijzen rekende zij Kwatchas keer 18 voor de hoeveelheid Rands, terwijl dit gedeeld door diende te zijn, de Rand is heel wat meer waard dan de Kwatcha… We konden haar gelukkig heel makkelijk overtuigen dat het gedeeld door 18 diende te zijn en hadden al snel onze verzekering. Of dit te maken had met het feit dat het bijna sluitingstijd was weet ik niet, maar ze stribbelde totaal niet tegen toen we onze rekensom voordeden op de rekenmachine. Nu konden we onze reis rustig vervolgen en na een uur ofzo kwamen we in Blantyre aan bij Ria, de moeder van Gj. We kwamen dus bij het huis waar Gj geboren en opgegroeid is en sliepen die avond in zijn oude kamer.
Chillen in Blantyre…
We bleven een aantal dagen in Blantyre bij de moeder van Gj. Ik had het huis alleen op foto’s gezien en in het echt was het best groot. Je gaat eerst een poort door om binnen het compound te komen. Deze poort wordt dag en nacht bewaakt, maar of dat uitmaakt weet ik niet want zo nu en dan worden er dingen gestolen begreep ik. Door de mensen die binnen de compound werken. Binnen de compound bevind zich naast het huis (een oude missiepost) ook de oude werkplaats van de vader van Gj. Plus nog een paar andere huizen die verhuurt worden. Zijn moeder heeft een hulp in huis genaamd Amos. Deze kookt, maakt schoon, wast kleding, oftewel doet alles in huis. Er bleek ook internet te zijn dus ik kon het wel een wee van nu.nl bijhouden. Dit internet was wireless via een zendmast die je in de verte kon zien.
Ook in Blantyre heb je een mall. Daar gingen we heen om te pinnen (20000 Kwatcha), te winkelen (Shoprite) en een milkshake te drinken (aardbei, helaas geen banaan). In de mall is sinds een paar jaar zelfs een bioscoop! Verder die dag in Blantyre zag ik weer iemand met een PTT-Post jasje. Het zullen wel hele sterke onslijtbare jasjes zijn ofzo.
Die avond gingen we naar de vader van Gj. Die woont ook in Blantyre in een huis dat lijkt op een voetbal op een steel. Daar begon mijn maag en darmstelsel te borrelen, waarschijnlijk vanwege de milkshake. Gelukkig was ik er na een paar keer toilet vanaf en bleek imodium niet nodig, pfoe… Verder was het vooral lekker chillen in Blantyre, gebakken eitje s’ochtends, biertje savonds. De door Amos gebakken kip stond al klaar toen we aankwamen de eerste avond.
Autoproblemen…
Na het relaxen in Blantyre gingen we naar de berg Mulanje, die we hadden zien opdoemen vanuit Mozambique. Ik had de berg ook al vaker via Google Earth in 3D bewonderd. Echter eerst moesten we een probleem met de auto zien op te lossen. Het bleek namelijk dat de auto een check moest hebben omdat we over de 40000 km heen waren gekomen. Na veel heen en weer gemail werd er een Ford dealer in Blantyre voor ons gevonden. Dus gingen we daarheen om zoals de verwachting was na een half uur check weer weg te kunnen gaan. Het bleek echter langer te gaan duren, er moesten dingen vervangen worden en wij waren de enige met een Ford Fiesta van dit type in Malawi. We werden nogal bang dat onze reis naar Mulanje niet door kon gaan. Gelukkig was de persoon die ons hielp bij de Ford dealer zo geweldig om ons huurbedrijf te bellen en te zeggen dat het niet erg was om de auto naar de service te brengen zodra de auto weer terug in Jo’burg was. Zodoende konden we dan eindelijk Malawi in!
Aan de voet van Mulanje…
We namen de Robert Mugabe weg naar Mulanje. We gingen naar het Likhubula house aan de voet van Mulanje. Daar gingen we een avondje slapen alvorens we vroeg met de reis begonnen. Eerst regelden we een guide die zelf twee porters uitkoos. We gingen heel laat nog wat op camping manier eten. Heel vroeg moesten we opstaan en die ochtend vonden we drie personen, behalve de gids. We hadden drie tassen dus konden we omhoog. Na een uurtje ofzo kwam iemand anders aanrennen met de spullen: brood, koekjes, bananen, pindakaas. Hij bleek een van de eigenlijke porters te zijn en hij zei dat de gids eraan kwam. Daar wachtten we dus even op en toen hij eraan kwam vroeg Gj hem of hij wilde regelen dat die twee extra porters niet nodig waren. Dat lukte, we gaven ze nog wat kwatchas en gingen door omhoog.
De beklimming van Mulanje…
Het werd een 7-urige klim met een paar rustpauzes. Hoe hoger hoe kouder en hoe mooier het uitzicht. Toen we op het hoogplateau aankwamen was de begroeing voornamelijk gras met wat boompjes her en der verspreid. We moesten nog een uur ofzo door tot aan de hut, genaamd de CCAP cabin. Er was daar geen electriciteit maar er waren wel twee caretakers aanwezig die alvast het vuur voor ons hadden aangemaakt. We waren er helemaal alleen behalve de twee caretakers en onze gids. Van een nabije hut werd bier gehaald. Zelf hadden we voldoende eten mee voor 3 nachten. Na de wandeling waren we helemaal uitgeteld en we legden matrassen op de veranda en gingen lekker liggen en van de zonsondergang genieten. Het werd al gauw kouder, het was echt een ander klimaat op Mulanje.
Aan de rand…
De volgende dag gingen we met de gids naar de rand van Mulanje waar je een geweldig uitzicht had. Ook heb je er een poel, vlak voor een waterval die 2 km naar beneden gaat. In die poel gingen we zwemmen. Na afloop smeerde ik me goed in maar ik vergat mijn voeten. Deze waren na een tijdje dan ook enorm verbrand en ik begon em al zorgen te maken voor de terugreis. Gelukkig had ik uit Japan hydraterende gel mee, met aloe vera. Toen we aan het zwemmen waren kwamen we een man en vrouw uit Zwitserland tegen die hun baan hadden opgezegd, een Toyota landcruiser hadden gekocht en door Zuidelijk Africa aan het rondreizen waren (Little did I know I would follow their example, wat betreft baan en huis opzeggen). Zij gingen ook in de poel zwemmen en we hadden een leuk gesprek. Zij gingen verder en we opperden dat we elkaar misschien bij Lake Malawi tegen zouden komen. Het uitzicht bij de rand was echt spectaculair. Aan de horizon kon je wolken zien en verder keek je uit op een vlakte van rode en groene tinten.
Lekker uitslapen…
Die avond merkte ik dat mijn voeten echt verbrand waren. Ook mijn knieen deden irritant vanwege de klim. Vooral mijn linkerknie waar ik op was gevallen toen ik was flauwgevallen na de prikken (vanwege lege maag ‘s ochtends waarschijnlijk, want ik ben natuurlijk niet bang voor prikken).
De ochtend erop zouden we heel vroeg de hoogste piek van Mulanje beklimmen maar ik besloot niet te gaan, vanwege mijn knieen en mijn verbrande voeten. Om 4 uur stonden Babet en Gj op terwijl ik lekker doorsliep. Na wat doorslapen hoorde ik ineens de stem van Babet. Ik stond op en Gj kwam binnen. Hij zei, “Ben je al die tijd doorgeslapen? Het is 4 uur!”. Na een moment van verbazing en ongeloof begreep ik dat ik aan het lijntje gehouden werd, het bleek 8 uur ‘s ochtends te zijn. De twee hadden het nogal zwaar gehad en waren eerder terug gekeerd. Ze waren naar een kleine top gegaan en hadden mooie fotos van de opkomende mist. Die dag gingen ze nog weg voor een ander tripje. Daar kwamen ze beregend van terug. Ook hadden ze onweer dichtbij meegemaakt. Ik was lekker in mijn journal gaan schrijven.
De kip en de afdaling…
‘s Avonds gingen we kip eten. Het bleek een haan te zijn die de porters mee hadden genomen. Deze waren aangekomen om de volgende ochtend onze tassen weer naar beneden te nemen. De haan werd voor onze neus geslacht met het grote mes van Gj. Na het ontveren hadden wij met z’n drieen genoeg aan de borst en de poten. De rest was voor de porters, de gids, de 2 caretakers en een groep dorpskinderen die op Mulanje gras aan het maaien waren.
De haan had vreemd vlees, rodig, zelfs na een half uur koken. We wisten met het kaarslicht niet zo goed of het gaar was, maar op goed geluk zijn we maar gaan eten. Het was, samen met de uien en de rijst, erg lekker!
De volgende ochtend gingen we vroeg terugwandelen. Ik was bang dat ik last zou krijgen van mijn verbrande voeten en mijn beurse knieen, maar dat bleek enorm mee te vallen. De Japanse gel werkte perfect en mijn knieen deden hun ding. De terugreis ging veel sneller. Het was leuk om als een berggeit van steen naar steen te hoppen. Zo nu en gleed ik bijna uit maar ik wist toch steeds mijn gewicht te bewaren. Gj was daarentegen super voorzichtig naar beneden aan het lopen, hij had wel eens zijn enkel verstuikt en dan wordt je natuurlijk voorzichtiger. Bij de afdaling keek ik naar de zon die bleek ineens te zijn gereduceerd tot sikkel! We zagen zowaar een gedeeltelijke zonsverduistering! Helaas verloor ik ook mijn zonnebril ergens tijdens de afdaling…
Chillen op Zomba…
Beneden aangekomen kochten we nog wat drinken en toen reden we door naar Blantyre waar we even wilden douchen. Daar aangekomen was Ria er helaas niet en alles was op slot. Gelukkig wist Gj de sleutel te vinden. En Ria kwam toevallig ook een paar minuten later terug rijden. We besloten toch snel door te rijden want Gj had een job interview bij de geologische dienst in Zomba. We gingen nog even snel pinnen en daarna op weg naar Zomba. Helaas bleek Gj de verkeerde weg te hebben genomen, we reden niet in de richting van Zomba, want die konden we rechts van ons in de verte zien. Dus maakten we omgekeerd en probeerden we een op door op de kaart ontdekte shortcut uit om op de goede weg te komen. In de tussentijd kwamen we weer Omo reclame borden tegen (Dirt is good!). Gj had een afspraak om 4 uur en we kwamen pas om 5 uur aan. Maar ach, het bleek toch een feestdag te zijn en hoogstwaarschijnlijk was de afspraak dus toch niet doorgegaan.
Bij Zomba reden we de berg omhoog. Het werd steeds mooier qua groen en uitzicht. Op een gegeven moment stopten we de auto en stapten we uit. Met Shpongle op de achtergrond genoten we van het mooie uitzicht. In de verte kon je Mulanje zien waar we die dag nog bovenop hadden gestaan.
Gj wilde naar de CCAP lodge maar die was al vol. Na wat doorvragen regelden we een cabin bij de Trout Farm en die avond aten we bij een hotel op de berg. Gj was vroeger als kind vaker in dat hotel geweest en mensen herkenden hem. Het was de eerste keer na Jo’burg dat we weer ergens westers waren, behalve de huizen van de ouders van Gj natuurlijk. Ik nam de pork chops van 3200 Kwatcha. Ik vroeg me weer af of de bedienden gebruik konden maken van zo’n hotel. Het antwoord was natuurlijk nee. Het zelfde geldde op Mulanje: we hadden volgens mij meer uitgegeven aan het bier en de cola dan aan de gids, de porters en de hut. Heel vreemd. Die avond liepen we terug door het donkere bos tussen het hotel en onze cabin. Het was ongeveer 15 minuutjes wandelen.
Na de buitensportiviteit van Mulanje besloten we de volgende dag niks te doen. We gingen laat lunchen, in het hotel. Er was een super mooi uitzicht ook al konden we de donder horen en zagen we donkere wolken langsdrijven hun schaduws afwerpend op de stad Zomba aan de voet van de berg. Die avond maakten we zelfs ons eigen voedsel. Bij het naar de toilet gaan ‘s avonds bleek er een enorme mierensnelweg ontstaan te zijn. Onbewust gingen we alledrie er midden instaan en ik was bijvoorbeeld nog tot de volgende dag bezig van die grote grijpgrage mieren uit mijn kleren en schoenen te halen. Ook had ik die avond een enorme niesaanval vanwege het stof in de cabin en wellicht ook als reactie tegen de antihistamine pil die ik na de aanvang van het niezen had geslikt. Het vreemde is dat ik na Afrika niet meer zo extreem reageer op stof, ik merk het alleen aan mijn huid. Meer kriebel en ik krijg bultjes.
De laatste dag op Zomba wilden we na het ontbijt bij het hotel nog even wat gaan fietsen. We moesten voor 10 uur weg bij de Trout Farm en bij het inpakken begon het enorm te regenen. Op zijn Afrikaans, de hemel ging weer eens open. Bij het inpakken kwamen we de Zwitsers weer tegen, die waren op zoek naar een plek op Zomba. Door al dat geregen kwamen we nogal verwilderd bij het ontbijt aan in het hotel. Het uitzicht bleek helaas volledig door wolken geblokkeerd te zijn. Ook hoorden we allemaal gedonder om ons heen. Na die ochtend al stevig te zijn natgeregeld besloten we het fietsen maar te skippen. Na het ontbijt gingen we nog even internetten waarna er ineens een hele kudde scandinavische jongeren het hotel inkwamen. Toen we naar de auto liepen zag ik nergens een bus dus ik heb geen idee hoe de groep hun vervoer geregeld was. What a mystery…
Mijn eerste wildpark ervaring…
De volgende locatie op het programma was Liwonde, een wildpark. Aldaar regelden we een campingplek hetgeen de eerste keer voor ons was dat we de tent opzetten. De tent was heel gezellig, al waren de matjes best hard. Toen we aankwamen bleek de vader van Gj er ook te zijn. En alweer zat ik aan de diarree, maar dat was waarschijnlijk vanwege de koffiemelk in het hotel. Met Jan Jaap gingen we het park in en daar zagen we impala’s, wilde zwijnen en anderen ‘geiten’ zoals hij naar impala achtige dieren refereerde.
De eerste nacht in de tent was best nogal hard geweest, maar ik had toch goed geslapen. Die middag kwamen Marloes en Ria ook aangereden (inclusief banana cake). Nu waren we dus met z’n 5en. We gingen met z’n allen in Ria haar Nissan Terrano het park in. Daar zagen we eerst niets nieuws, hetzelfde als de dag ervoor. Op een gegeven moment kwamen we bij een grote modderpoel die de weg versperde. Dus keerden we om en op de terugweg zag Marloes ineens een olifant. We stopten en zagen dat het een hele kudde was! Een groot mannetje zat met zijn oren te flapperen. Wij bleven op een afstand maar moesten ze wel passeren. Gj, Marloes en Ria vonden het echt spannend. Die hadden dan ook wel wat meer met olifanten meegemaakt, zeer up close and personal. Babet en ik konden het allemaal toch iets minder voorstellen. We reden voorzichtig door en de olifanten bleven uit onze buurt. Gj, die reed, vroeg steeds of we achter ons wilden blijven kijken of er geen olifant achter ons aan zat.
Rond het kamp bleek ook een, van de groep weggelopen, mannetjes olifant te lopen en bij zonsondergang had iemand deze gezien. Dus liepen we met Pieter, de manager van Chinguni Hills, waar wij verbleven, naar een lookout point in een boom waar we de riviervlakte konden overzien. Daar aangekomen zagen we de olifant rondlopen. Tijdens de 2 eerdere ritten door het park hadden we al allemaal bomen gezien die om waren geduwd. Het mannetje bleek nogal aggresief te zijn. De zon ging langzaam onder. Het was een heel speciaal gezicht, zo dat beest in de verte te zien lopen. Hij leek niet eens zo groot.
Bij de kampplaats kwamen we ook nog Nederlanders tegen die een landcruiser hadden gehuurd in Jo’burg. Zij (Jolanda) had haar baan opgezegd en haar vriend gedumpt om een paar maanden door Afrika te gaan reizen. Daarna ging ze voor de organizatie Bmore kinderen met aids helpen in Durban. De man was een vriend van een vriendin van haar en het toeval wilde dat hij ook door Afrika wilden reizen. Beiden zochten ze een metgezel, dus gingen ze samen.
Chinguni Hills wordt door Pieter en Mariska gemanaged. Mariska was 9 maanden geleden weggegaan uit Zuid Afrika als lerares om deze baan te gaan doen. In die tijd had ze volgens zeggen elke maand wel een keer malaria gehad! Wij troffen haar met een baby eekhoorn. Die was van het dak gevallen. Ze probeerde hem levend te houden met melk maar het mocht niet baten helaas, het beestje overleefde het niet en Mariska was in tranen.
De volgende dag gingen we vroeg nog even zonder Ria in het park kijken. Helemaal aan het einde van de weg (bij een moddelpoel waar we zelfs met de 4×4 niet doorheen durften) zagen we ineens voor ons in de verte olifanten de weg oversteken. Opeens bleef een grote olifant staan en we gingen voorzichtig in z’n achteruit. De olifanten gingen weer hun eigen weg.
Aan Lake Malawi…
Die dag reden we door richting Lake Malawi. Pieter had ons Fat Monkeys aangeraden, een plek aan het strand van Lake Malawi. De reis was voornamelijk op asfalt tot aan de laatste afslag. Toen nog een paar kilometer dirt road. Het landschap was heel mooi, allemaal rondige rotsen (stollingsgesteente). Ineens was er een heel klein stukje asfaltweg en daarna zagen we het meer. Het dorpje aan de kust zag er niet heel schoon uit, overal vuilnis, maar bij Fat Monkeys aan het water zelf was het heel mooi. Toen we aankwamen zag ik ineens de 2 Nederlanders van Liwonde lopen. Ze waren nu bij een andere lodge maar de volgende ochtend kwamen ze ook naar Fat Monkeys. Ook de Zwitsers waren er. Toeristisch Malawi bleek echt heel klein te zijn. We bleven een paar dagen en sliepen in een van de kamers, dus geen tent meer. We zwommen in het meer waar Bilharzia wormpjes aanwezig kunnen zijn dus we moeten nog een kuurtje doen binnenkort.
Op het strand werd constant geprobeerd ons van alles aan te smeren. Uiteindelijk kocht ik de laatste dag wat tekeningen en Marloes en Babet regelden braided hair. Dat duurde 7 uur en uiteindelijk bleken niet de twee vrouwen die al het werk hadden gedaan, maar de man die er steeds bijstond al het geld te krijgen. Wat de vrouwen kregen, geen idee. Volgende keer dus direct met de vrouwen die het werk doen onderhandelen. Er werd nog overwogen of er braided hair in mijn baard kon maar deze was helaas nog niet lang genoeg. Een van de avonden was er een enorm onweer. Het onweer kwam heel dichtbij en vanwege de regen schuilden we in de bar. Opeens was er een flits heel dichtbij op het meer. De flits was geel en niet wit zoals normaal. Na afloop zag je stroom patronen van het water overal. Nu begreep ik hoe potholes kunnen ontstaan door dit soort plotselinge hevige erosie.
De volgende avond zaten we buiten op het strand met een fles Amarula (een soort Bayleys, met de marula vrucht erin) toen we een vallende ster zagen. Deze brak in twee stukken uiteen wat eruit zag als 2 jetengines en stortte hoogstwaarschijnlijk in Lake Malawi. Ik had zoiets nog nooit van zo dichtbij gezien!
De ochtend voor we terug gingen naar Blantyre gingen Babet, ik en Marloes nog even met een bootje naar het eilandje voor de kust. Daar gingen we snorkelen waar we allemaal gekleurde visjes zagen. Omdat het zoetwater visjes zijn kun je ze in NL in acquarium winkels kopen. We zagen ook nog een paar visarenden duiken naar visjes. Er werden wat vissen in het water gegooid en hop daar vloog een visarend vanuit een boom richting het voedsel.
Mooie verhalen…
Hierna gingen we nog op bezoek bij iemand waar Gj wel voor zou willen werken, Darren de baas van Chinguni Hills in Liwonde Park en de baas van Pieter en Mariska. Hij had ook nog een cafe in Monkey Bay en daar had Gj een afspraak met hem. Uiteindelijk zaten we er allemaal. Deze gast, genaamd Darren, zat vol met geweldige Afrika verhalen zoals die ene pothole die hij op een 500km lange weg in Tanzania tegenkwam. Iedereen wist dat die ene pothole er was maar iedere keer knalde je er weer tegen aan. Ook vertelde hij van zijn tijd in Ethiopie. Hij wilde een of ander visum regelen en ging naar de immigratie office. Daar werd hem verteld dat hij naar kamer 307 moest voor een stempel op een formulier. Hij ging naar de 3de verdieping, is daar geen kamer 307! Het leek alsof ze alle kamernummers random op de deuren hadden geplakt. Wat ging hij vervolgens doen? Hij karteerde het hele gebouw! Dus waar de meeste mensen 3 dagen over deden was hij na een aantal uurtjes klaar. De laatste stempel van een of andere hoge pief lukte maar niet, de man was steeds weg van zijn kamer, die probeerde hem te ontlopen waarschijnlijk. Dus ging hij alvast in de kamer van die man staan wachten. Toen de man zijn kamer binnenliep ging hij snel voor de deur staan zodat de man niet weg kon. Hij hield hem het formulier voor het gezicht en wees naar de stempel: “Could you please?”. Reluctantly deed de man wat hem gevraagd werd en voila, een visum! Geweldig! Dat is dus Afrika… Voordat we weggingen vertelde een andere gast nog een coole oneliner: voordat je een opdracht aanneemt in Afrika moet je vragen “what colour is the money?”.
Nog een keer…
Hierna reden we door richting Blantyre. We kregen van Darren nog een cheque mee voor Pieter die we onderweg tegen zouden komen bij een restaurant. Dat restaurant kijkt uit over de rivier die ook door Liwonde Park stroomt. Het werd door Indiers gerund en zag er nogal protserig uit. Als je geluk had kon je hippo’s zien, maar helaas was dat niet aan mij besteed. Toen Pieter en Mariska aankwamen waren Marloes en Ria al weggegaan omdat ze nog voor sluitingstijd de Shoprite in wilden. Pieter en Mariska echter nodigden ons uit nog een nacht te blijven slapen in het park, gratis! Ze hadden zo van ons gezelschap genoten schijnbaar, nu eens niet van die standaard backpackers. Gj belde Ria en die vond het prima, dus werden we allen het park in geloodst.
Pieter nam ons die avond mee in z’n Landy, Marloes, ik, Gj en Babet op het dak, voor de zonsondergang. Deze was echt spectaculair! Daarna gingen we bier drinken. Er bleken een aantal Nederlanders in het kamp te zijn, bijna allemaal vrouwen. Deze vonden het allemaal super spannend. Het was leuk om te ouwehoeren met Pieter en Mariska. We mochten in bedden slapen en hoefden dus geeneens onze tent op te zetten, ook het eten kregen we gratis! De volgende ochtend wilden we iig voor het ontbijt weg om hen niet het gevoel te geven dat we misbruik van de situatie maakten. Ik beloofde Pieter nog op zoek te gaan naar een hoop muziek en we zouden de foto’s sturen. Ze bleken ook Facebook te hebben, want Pieter en Mariska gingen elke maand een keertje langs in Blantyre.
Afscheidsfeest…
We reden door tot Blantyre waar onze laatste avond in Malawi plaats zou vinden. Ria had allemaal mensen uitgenodigd en Amos had een groot feestmaal bereid. Die middag gingen we nog onze kleding wassen in de badkuip, lekker oldschool. Dat was erg leuk, en je wilt niet weten hoe bruin het water werd! Die avond tijdens het eten hoorde ik ineens super coole muziek opstijgen uit de keuken. Amos zat naar de radio te luisteren en zat mee te dansen. Die had dus echt zijn eigen wereldje in de keuken. Ik vond het toch vreemd dat hij niet meeat, maar misschien vond hij het westerse eten niet lekker, en wilde hij gewoon de locale maispap (siema). Ik danste even met hem mee en ging weer terug naar de veranda.
Ik sprak nog met een van de gasten, hij vertelde dat zijn broer in een uraniummijn werkt. Hij wilde graag weten of er geen ontploffingsgevaar was. Ik stelde hem daar gerust mee, maar vertelde hem wel van het stralingsgevaar. Mining is niet super aanwezig in Malawi, maar daar zou best wel eens verandering in kunnen komen. Overal rond Malawi worden mineralen gevonden dus waarom niet in Malawi?
Dollars voor Zimbabwe…
De volgende morgen moesten we voor we weggingen eerst nog wat zaken regelen. Het voornaamste was aan geld voor Zimbabwe zien te komen. Dus gingen we naar de bank in Blantyre om te kijken of we dollars konden pinnen. Dat bleek niet mogelijk en de money exchange was gesloten. Na nog wat rondvragen bleek er een mogelijkheid om aan dollars te kunnen komen. Echter dat was een black market manier. Deze manier was best cool, zoals uit een film. We liepen naar de achterkant van een grote mediawinkel, door een deur, een trap op naar een office waar een Indier zat, waarschijnlijk de baas van de winkel. Zijn office had een raam en keek uit over de winkel. We vroegen aan de man of we aan dollars konden komen. Dat kon zei hij maar wel tegen een voor ons nogal nadelige rate. Hij stopte 20% in zijn eigen zak. Maar goed, we hadden dollars zometeen, dus we sloten de deal. Iets later gingen we dus voor 375$ aan kwatchas pinnen en in de tussentijd ging hij 300$ regelen. Ik wilde graag nog een Malawi vlag en Marloes een tshirt, dus kochten we deze ergens langs de kant van de weg. Het afdingen ging best prima! Gj had in de shoprite en paar dagen daarvoor een Malawi helm gekocht dus zo gingen we met een hoop parafernalia terug.
Toen we terug kwamen in de winkel liet ik de rest het geld regelen. Ik wilde even rondkijken. Ze hadden hier ook de flatscreens die ik in Nederland in de mediamarkt zie staan. Er was ook een CD afdeling. Daar vond ik Springbok Nude Girls, de muziek die Pieter ons had aangeraden. Daarnaast kocht ik nog twee Malawiaanse muziek CDs. Vooral Springbok draaiden we in de auto terug naar Jo’burg.
De rest kwam aanlopen met het geld dus konden we terug naar Ria’s huis om de auto in te gaan pakken. Dat was helaas snel gebeurd en toen moesten we eraan geloven: we gingen weer naar huis. Gelukkig hadden we nog een week voor we terugvlogen en moesten we nog door Mozambique, Zimbabwe en Zuid Afrika.
Naar Tète in Mozambique…
Onze reis bracht ons eens naar het westen van Malawi, waar we de grens naar Mozambique overstaken. Het was vreemd om aan de grens te staan en weer Mts nodig te hebben. En gelukkig hadden we deze keer wel 3rd party insurance! Dit deel van Mozambique was ontzettend mooi. Ons plan was de nacht door te brengen in Tète, aan de Zambezi rivier. De hele dag zagen we bijna geen kip maar tegen de avond werd het duidelijk dat er een stad in aantocht was. En toen de brug opdoemde wisten we het zeker. Het was de brug over de Zambezi rivier, en over de brug lag Tète. Het was een brug die op dat moment gerepareerd werd en er was een lange file. Een stuk reden we over betonnen platen met een gat ertussen waar je zo naar beneden kon kijken richting de rivier. In Tète zochten we het Zambezi hotel hetgeen volgens de Lonely Planet goedkoop was. Dit bleek het omgedraaide, dus gingen we verder zoeken. Babet en ik vroegen het bij een restaurant waar we iets later ook heel cheap gingen eten. Want de man achter de bar wist wel een plek en gebaarde ons hem te volgen. Na een korte wandeling bleek het om een soort lokaal hostel te gaan waar ze een kamer met 3 bedden voor ons hadden. De toilet en douche waren op de gang. Deze zagen er echter niet echt bruikbaar uit. Maar ach, dat maakte niet zo uit, je was toch na het douchen meteen weer vies bezweet. We namen de kamer, parkeerden de auto en gingen eten.
Gj bestelde weer eens kip en ik en Babet wilden eens wat anders proberen. Dus namen we chorizo. Echter, dat hebben we geweten. De worst was uber vet en ik vond hem ronduit goor. De patat en alles eromheen at ik wel, maar dus niet die worst, jak. Omdat ik toch wat vlees wilde hebben vroeg ik of ik een extra runderlap mocht. Prima, al kwam de bediende even later met nog een hele maaltijd! Ach, het koste, inclusief halve liters bier, toch allemaal geen fluit, en ik kreeg het wel op.
Die avond vergat ik na het eten de malaria pillen en deze vergeetachtigheid bleef me nog een maand achtervolgen. Tijdens schrijven (in een pub in Londen, een week na terugkomst in Nederland) heb ik er nogal last van tijdens het slikken. Want de volgende dag nam ik s’ochtends vroeg de pil in op een lege maag met te weinig water. De dokter zei later dat mijn assumptie waarschijnlijk correct was: de pil was blijven steken in mijn slokdarm en had zich vastgezogen in de wand omdat ik te weinig water had gedronken.
Toch een pothole…
De volgende dagen had ik dus nogal kramp bij het slikken. We reden into de totale leegte. De weg was goed, dus Gj zoefde lekker voort. Tot ineens op een heuvel: BAM! Gj kon de pothole niet meer ontwijken. Hij stuurde scherp naar rechts waar nog een pothole was en wederom BAM! De auto leek verder OK dus we reden voort, gelukkig zonder potholes. Een paar uur verder kwamen we aan de grens. Gj ging weer formuliertjes halen en al gauw waren we Mozambique uit. Voor deze grens hadden we weer iemand ingehuurd die ons overal doorheen loodste. Gj hield zich met de autopapieren bezig en hij kwam als bestuurder voor Zimbabwe in de documenten te staan. Dus uit voorzorg reed Gj maar door heel Zimbabwe. Na wat papiertjes en wat stempeltjes konden we door. Echter, net de grens over bleek onze rechter voorband nogal zacht. Dus besloten we hem op te gaan pompen. Bij een BP bleken ze geen pomp te hebben en ze wezen naar de overkant van de straat waar allemaal vrachtauto’s stonden geparkeerd. Daarachter bleken een aantal gastjes met een provisorische pomp te staan. Het was 2$, alleen hadden we niet kleiner dan 10$. Zodoende was Gj 5 minuten bezig om de voltallige 8$ wisselgeld terug te krijgen. Na het volpompen bleek de band een bobbel te hebben. We schrokken, de pothole had dus toch de band beschadigd! Gj parkeerde de auto bij de BP waar we bespraken wat we moesten doen. Toch maar de auto leeg (om bij de reserveband te komen) en de band vervangen? Maar toen we dit deden, met overal om de auto tassen, bleek de reserve band een ander type te zijn dan de rest van de auto banden! Uiteindelijk besloten we dan toch maar om de gasten bij het BP station te vragen het frame met een hamer weer uit te deuken. Dat was gauw gebeurd, wat gaf die gast een meppen! De band werd weer teruggeplaatst en we konden verder. Gelukkig waren de Zimse wegen praktisch pothole vrij en de band hield het, fixed using the African way…
Westers Harare…
Voor we die avond het Antelope Park bereikten reden we nog door Harare. Wat was dat anders dan ik had verwacht! Ten eerste waren er heel veel blanke mensen te zien (er waren toch allemaal blanken uit Zim gegooid? Niet uit de steden dus). En dit waren geen eerste of 2de generatie blanken, nee dit waren Afrikaners die er al generaties zaten, toen Zim nog Zuid Rhodesie heette.
We stopten bij een mall en ik wilde even in de supermarkt kjken. Eerst echter was het tijd om te pinnen. Voor de zekerheid besloten we $300 per persoon uit de ATM te halen. En dit alles lukte! Bij de Barclays bank (waar ik er net ook een van zag in Londen op het moment van schrijven). Dus nu konden we de supermarkt in. Babet pastte op de auto en Gj en ik gingen rondsneupen. Deze supermarkt zat vol met blanken. Dit had ik niet van Zim verwacht. Verder verkochten ze er heel veel bekends, ze hadden zelfs Coca Cola Zero. Daar sloeg Gj een hoop van in en ik ging sneupen naar speciale zaken. Ik vond krentebol achtige bolletjes die echt lekker bleken te zijn. Verder kocht ik biltong, dat is gedroogd vlees, een Zuid Afrikaanse lekkernij.
We reden verder door Harare. Op een gegeven kwamen we in de buurt van iets officieels want er was een no-camera sign. Langs de weg waren allemaal reclameborden te zien. Zo was er een bord van de virusscanner NOD32 die ik ook een tijdje heb gebruikt. Ook was er een bord van een vliegtuigmaatschappij die goedkope vluchten naar Europa aanbood. Ik vroeg me alleen af welk deel van de bevolking daar gebruik van kon maken. Maar goed, dat had je in Malawi, Mozambique en Zuid Afrika ook: alleen een rijke bovenlaag kon dit soort dingen betalen en voor hen waren de reclames bedoeld. Vervolgens reden we door het city centre met hoogbouw, ook dat zag er erg westers uit.
Het Antelope Park…
We verlieten de stad en het landschap werd steeds gecultiveerder, echt een boeren landschap. Tegen de avond kwamen we in het stadje waar het Antelope Park vlakbij moest zijn. We vonden het gemakkelijk doordat Babet Gj erop attendeerde ook de borden op de andere weghelft in de gaten te houden. De afslag was een zandpad voor een aantal kilometer. We vroegen ons af of het nog wel open zou zijn. Opeens was er een hek en ja hoor, er stond nog iemand. We konden doorrijden, we reden nu dus in het park waar ook zebra’s, giraffes en wildebeast rondliepen. Na een paar 100 meter was er weer een hek. Daarbinnen was het gastenverblijf. We gingen naar de receptie waar we 2 nachten slapen in onze tent boekten. We gingen onze tent opzetten boven een colonie van enorme mieren die een vieze geur verspreiden als je er (perongeluk) op stapte. De volgende ochtend gingen we met onze gids Kailos vroeg op pad voor een bush walk. Daar legde hij uit hoe je kunt ‘tracken’. Aan de sporen kun je natuurlijk zien welk dier het was, maar ook hoe lang geleden. Aan de poep kun je ook aflezen welk dier het was. Ook mooi was het feit dat je bepaalde vogels hebt die hun nestjes in een bepaalde boom altijd aan de westkant maken, dat is dus handig voor orientatie. Ook wist Kailos planten te vinden die handig zijn te gebruiken als wc papier en als tand pasta. Daarnaast was het handig om te weten dat je aan het voorkomen van spinnenwebben kan zien of een oud termietennest bezet is door een slang of niet. Kailos vertelde verder dat hij in een ander park een week lange cursus survival in the african environment wil gaan geven. We liepen terug met heel veel extra kennis. Ik vroeg hem nog of de super witte blouse van Mr Price die ik droeg niet te veel op zou vallen en of dit dom was. Op dat moment was ik me er nog niet van bewust dat de Big Five zich hier niet ophielden, dus ik hoefde me geen zorgen te maken dat er ineens een leeuw op me afsprong. Echt in het wild was zodoende een ander verhaal, daar was ik nu met die felwitte kleding allang ten dode opgeschreven, of misschien juist niet, want de dieren zien dat je er bent, zij weten het al veel langer dan jij hen ziet, dus schrikken ze niet van je. Geen idee, maar ik was blij dat ik dat niet hoefde uit te proberen op dat moment.
Die middag gingen we op een paard het park in. Omdat Babet en ik niet zo goed in paardrijden zijn gingen we daarvoor nog een half uurtje training doen. Het paard waar ik op mocht was een mooi beest en ik zat er zonder moeite boven op. Draf ging prima maar gallop lukte niet zo. Als ik terug kijk kwam het waarschijnlijk omdat ik te hoog was afgesteld. Het paard reageerde ook niet echt op mijn geschop, maar toen ze m’n voetsteunen iets lager hadden afgesteld ging het beter.
Toen was het tijd om het park in te gaan. We reden achter de gids op z’n paard aan en ik merkte al snel dat ik eigenlijk niks hoefde te doen, het paard liep gewoon achter de gids aan. Opeens ging het paard van de gids galloperen en mijn paard deed hetzelfde. Het galloperen was erg irritant want het lukte me niet om met het ritme mee te bewegen, ik zat dus enorm mee te schokken. Ik werd er helemaal moe van en het voelde alsof ik er af zou trillen net als in de VS met dat spelletje waar mensen op een stier moeten proberen te blijven zitten. Maar goed, enfin, door de paarden zagen we wel mooi al dat wild. Al was ik wel mijn fototoestel vergeten helaas. Het begon met wat impala’s, toen wat wildebeasts. Vervolgens zebra’s, gaaf! En last but not least, jawel, de giraffes. Die waren echt groot! Door deze ervaring hoef ik nooit meer naar een dierentuin, dit is toch veel cooler! De wilde dieren waren niet bang voor de paarden. En de mensen erop ruiken de dieren niet, want de paarden overschaduwen met hun lichaamsgeur. Dus zo’n wild dier ruikt een paard doch ziet een paard met een of ander vreemd gezwel op z’n rug. Na afloop ging Babet nog lopen met leeuwen, ik vond dat iets te duur en te toeristisch. Ze fokken leeuwen in het park met als doel om ze na 4 generaties om te vormen tot wilde exemplaren.
De dag erna gingen we weer weg maar niet voordat we nog een olifanten training hadden bijgewoond. Waar ze de tamme olifanten nou voor gebruikten of voor fokten weet ik niet, maar het was wel gaaf. Ik mocht op een olifant zitten. Dat heb ik ooit als kind bij Circus Renz al een keer gedaan, maar dit was zo veel cooler. Wat die tamme olifanten nou met een wild park te maken hadden weet ik niet, maar het was wel cool. We gaven de olifanten steeds een hand vol noten die ze met hun slurf aanpakten. Die slurf was een slijmerige bijkomstigheid dus m’n witte overhemd zat al gauw vol vlekken. Ook wilde de slurf graag uitchecken wat er op de rug van zijn gastheer zat dus ik moest de slurf van mijn gezicht weghouden. Lekker slijmerig.
Terug in Zuid Afrika…
We gingen er snel vandoor want we wilden de grens van Zim halen. Tot aan de grens bleef dit land super mooi. Bij de Limpopo rivier reden we Zuid Afrika in. Deze grensovergang ging erg gemakkelijk. Ten eerste, in Zim deden ze niet meer aan formuliertjes, ze gaven meteen een stempel. Ten tweede, in Zuid Afrika hoefde je geen geld te betalen om het land binnen te komen. Niet dat dat sneller ging, maar het voelde gewoon sneller.
In Zuid Afrika had ik enorm veel zin in een bananen milkshake en in een van de stadjes dicht bij de grens zag ik een Wimpy. Ik liep naar binnen en bestelde 3 shakes. De manager was een Afrikaner vrouw en ik vertelde over Zim. Ze was verbaast, ze was nog nooit in Zim geweest en dacht dat het er niet chill was. Wij hadden iets totaal anders meegemaakt, maar goed, we waren er dan ook super snel doorheen gezoeft.
We reden door tot we in de bergen waren, bij Makhado. Daar zochten we een lodge. Veel wegen die uitmonden in de snelweg waren gewoon zandwegen. Zoook de weg die ons bij de uitgekozen lodge bracht. We kregen een kamer met TV en badkamer en ik kon die avond voor de eerste keer in mijn leven de 7de Laan zien, de GTST van de Afrikaners.
Terug in Jo’burg…
Die ochtend was het vrijdag en ‘s avonds zou Babet naar huis vliegen. Dus reden we rustig door tot Johannesburg. In een mall vlakbij Midrand ontmoetten we Rowy. We gingen eerst maar eens even de auto leeghalen bij Rowy en Marloes hun plek. Toen was het tijd om Babet weg te brengen dus reden we naar het vliegveld. Helaas had Babet een dag te vroege vlucht uitgekozen, Gj en ik gingen een dag later, om 8u ‘s avonds, zaterdag.
Nadat we afscheid van Babet hadden genomen voelde het echt vreemd, de reis was bijna voorbij. De laatste dag moesten Gj en ik nog een hoop dingen regelen dus gingen we maar vroeg naar bed. Arme Rowy moest ook al heel vroeg op. De volgende morgen nam Rowy vroeg afscheid van ons en ging naar z’n werk. Gj en ik gingen eerst maar eens op zoek naar een wasstraat. Die was snel gevonden en voor 50 Rand (5 euro!) werd de auto van binnen buiten schoongemaakt. In de tussentijd at ik een croissant voor 6 Rand (60 eurocent!). Het was echt zo goedkoop allemaal…
Na de wasstraat gingen we op zoek naar een mall. Na een half uur zoeken vonden we er eindelijk een. Hier nam ik mijn laatste bananenmilkshake in Zuid Afrika en kocht ik de film District 9 op DVD. We belden de autoverhuur en hoorden dat we de auto op het vliegveld moesten afleveren. Dus we reden maar naar het vliegveld en zetten de auto op de afgesproken plek. Wat had dat apparaat een afstand afgelegd! Zoveel kilometers tijdens een rondje Afrika. We vroegen ons af of een Ford Fiesta ooit zo’n reis had afgelegd. We hadden waarschijnlijk de enige Ford Fiesta gehad in Malawi, in ieder geval de enige van ons type, alvolgens de Ford dealer in Blantyre. We waren ook totaal geen andere Fiesta’s tegen gekomen de gehele reis, behalve in Jo’burg. Een echte city car dus en dat terwijl Jo’burg niet eens een echte stads stad is, met al die potholes.
De vlucht terug…
Nog voor het inchecken gingen we onze spullen wegen en we kwamen erachter dat zelfs nu Gj de tent bij Marloes had achtergelaten we overgewicht hadden! We gingen dus met minder spullen terug en we hadden overgewicht, terwijl we dat niet in Amsterdam hadden gehad. Mijn enige verklaring was dat er allemaal vocht in onze kleding terecht was gekomen en dat we dat nu ook meetorsten.
Het vliegtuig terug was niet echt geriefelijk. Er zat een krijsend kind voor ons en de stoelen zaten heel dicht bij elkaar, dichter dan ik gewend was van een intercontinentale vlucht. Ook zat er rechts een onwelriekende man naast me. En Gj zat links naast me aan het raam dus ik zat ingeklemd op een niet al te chille plek. Nu ik in 2009 zoveel gevlogen heb snap ik niet dat ik niet van te voren een goede stoel weet te regelen, eentje aan het gangpad. Volgende keer beter.
In Parijs hadden we een korte overstap en voor we het wisten waren we in Amsterdam, zucht. Het was koud! En toen ik thuis was kon ik het niet lang uithouden van de slaap. Voor ik het wist lag ik in bed, lekker warm. Ik deed mijn ogen weer open en het was 21:00. De volgende ochtend had ik in totaal iets van 18u geslapen, gaap.
Please give us your valuable comment
You must be logged in to post a comment.