Peter strentelt door de straten van Amsterdam, het regent zachtjes. Het is 4 uur in de morgen en hij loopt terug naar zijn studentenkamer van een avond stappen. Hij is helemaal alleen, maar dat deert niet, nog even, om de hoek is zijn huis. Echter, uit een kleine steeg komt iemand zijn kant op gelopen. Peter ziet dit vanuit zijn rechter ooghoek en loopt sneller door. Het is een zwerver die er nogal haveloos uitziet. Peter zelf is ook nogal haveloos, hij heeft weer veels te veel alcohol gezopen. Hij ziet dat hij de man niet kan ontwijken, misschien alleen door te gaan rennen. Daar ziet hij zichzelf echter totaal niet toe in staat, hij zwalkt nogal over de straat. Dan staat de zwerver voor hem en vraagt om wat geld voor voedsel. Peter zegt tegen hem dat hij platzak is, dat al zijn geld deze avond aan alcohol is opgegaan. Hij voegt eraan toe dat hij en de zwerver zodoende veel op elkaar lijken, alleen is er voor hem een fijn bedje in het verschiet. Dit schiet de zwever in het verkeerde keelgat en hij begint Peter toe te schreeuwen. Uit zijn linker ooghoek ziet Peter ineens nog iemand zijn kant op lopen, uit de schaduw van een steeg. Angst komt in hem op en hij probeert te gaan rennen. Zijn benen echter willen niet. De zwerver haalt hem gemakkelijk in en zwaait een mes zijn kant op. Hij staat erop dat Peter hem geld geeft voor voedsel en Peter kan niks anders doen dan zijn portemonnee te pakken. De tweede man is naast de zwerver komen staan en wil ook geld zien. Peter staat midden op straat net buiten het bereik van de dichtstbijzijnde lantarenpaal. Ineens gaat echter een ander licht aan, het blijkt een auto te zijn. De twee mannen rennen weg en Peter strompelt naar de kant van de weg. Het blijkt een politiewagen te zijn en een politieagent vraagt Peter wat er aan de hand is. Peter staat op het punt dit te beantwoorden als het plotseling zwart voor zijn ogen wordt. Hij zakt in elkaar en knalt met zijn hoofd tegen de stoeprand. Wanneer hij weer wakker wordt ziet hij dat hij zich in een ziekenhuisbed bevind. Hij voelt zich heel vreemd en zwak en begint om een zuster te roepen. Zijn stem doet het echter niet en hij krast maar wat uit. Toch moet de zuster hem gehoord hebben want ze komt heel snel aangerend. Ze begint te schreeuwen en te springen, “Hij is eindelijk wakker!”, en rent weer weg. Peter vraagt zich af wat er aan de hand is en voelt zich steeds vreemder in zijn lichaam. Links op een nachtkastje ziet hij een handspiegeltje liggen. De momenten volgen elkaar nu snel op, hij pakt de spiegel en in een flits ziet hij zijn handen. Hierdoor schrikt hij gigantisch en zet de spiegel voor zijn gezicht. Hij ziet een oude man. Het wordt plotseling weer zwart voor zijn ogen…