Primaat in de Auto

Tuesday , 1, July 2008

De auto is een ingeburgerd onderdeel van de hedendaagse technologisch ingerichte samenleving. Honderd jaar geleden had echter bijna nog niemand een auto, en kijk eens nu, nu zijn er zelfs zoveel auto’s dat het wegennet in Nederland ze eigenlijk al niet meer aan kan. Naast een verhoogd cholestrol slibben nu dus onze verkeersaderen ook al dicht, vooral tijdens de spits.
We zijn dus in een kort tijdsbestek van ongeveer 100 jaar steeds meer gewend geraakt aan de automobiel. Hoe snel dit soort gewenning aan technologie in het menselijke brein kan optreden is te zien aan de mobiele telefoon: voor 2000 had bijna niemand nog zo’n ding. De auto deed er iets langer over om onmisbaar te worden, maar toch. Nu willen we hem niet meer kwijt, die auto. Nu de weg aan het dichtslibben is gaan we niet en masse over op het openbaar vervoer. Waarom dan toch niet?

De Primaat zit in zijn auto. Hij zoeft over de weg. De snelheid is zo hoog dat zijn hersenen het niet kunnen verwerken, ze zijn er niet op gebouwd. Zijn reactietijd is eigenlijk veels te lang. Hoeveel ongelukken zouden er vermeden kunnen worden indien sensoren het van de Primaat en zijn medeweggebruikers over zouden nemen? Maar de Primaat wil geen sensoren, hij wil zelf in de auto zitten en rijden. Een gevoel van vrijheid, zo zoevend over het asfalt. Ok, zo nu en dan zijn er files. Ok, vaak zijn er files. Ok, elke ochtend en avond zijn er files, maar toch, die vrijheid, daar gaat het om.
De Primaat heeft vanaf zijn geboorte een versnelling van verplaatsing meegemaakt. Eerst lag hij in de wieg en kon alleen een beetje heen en weer rollen. Toen kwam de kooi en kon hij rond gaan kruipen. Vervolgens leerde hij lopen en kon hij zich gaan voortbewegen met zo’n kinder rolwagen. En op een dag kreeg hij zijn eerste fiets. Dit had pas echt een grote snelheidsvermeerdering tot gevolg. Zoook een vermeerdering aan gevaar: vallen van de fiets deed meer pijn dan vallen tijdens zijn vroegere pogingen tot lopen. Ook had hij minder kraakbeen toendertijd.
Voordat hij de eerste keer de auto betrad kwam hij nog met schaatsen in aanraking. Hoe hard hij daarmee kon gaan, dat vond hij geweldig. Au: hoe hard hij daarmee kon vallen, dat was minder leuk, helaas. En met die stoel rond blijven schuiven, dat was niks voor hem. Nee, uiteindelijk was schaatsen niet aan hem besteed.
De auto dan. Ja, dit was pas vrijheid. Echter, het koste hem wel moeite om dit apparaat onder de knie te krijgen. Als fervent fietser was het moeilijk om zich aan te passen aan het autorijden. Met fietsen stond hij snel stil en dit had meestal geen grote hindering van zijn medefietsers tot gevolg. En indien dit wel zo was, wat maakte het uit… Autorijden omhelst het niet hinderen van de verkeersstroom. Even stoppen met zo’n groot blikken ding, dat zit er gewoon niet meer in. Indien hij dat wil doen moet hij goed om zich heen kijken. Achter, voor, links, rechts. Kan het? Ja? Ok. Rem…koppeling…
Hetgene waar hij het meest aan moest wennen was het feit dat hij aan de ene kant lekker uitgezakt achter het stuur zat, maar wel heel actief om zich heen moest blijven kijken. Dit voelde erg onnatuurlijk aan. Als fietser voelde je de wind en hoorde je de auto’s en fietsers. Hij had nog nooit met koptelefoons gefietst, en pas toen hij in de auto zat besefte hij hoe belangrijk die dimensie van geluid voor hem was. In de auto hoorde hij alleen de motor. Ja, en zo nu en dan getoeter. Dit lag echter aan zijn rijstijl, en naar leswagens wordt zowiezo meer getoeterd (en gescholden).
Dus hij moest op andere dingen gaan vertrouwen: puur op zicht. En dat was zijn volgende punt: hij was gewend om strak naar links of rechts om te kijken als hij een straat wilde oversteken. Dit soort reflexen waren in de auto nu niet meer toegestaan. Hij diende vertrouwen te hebben in die drie kleine spiegeltjes links, rechts en boven hem. Vooral dit vond hij zeer onnatuurlijk en hij kon het alleen oplossen door in de spiegels te gaan kijken en vertrouwen te hebben in de waarneming. Ok, gelukkig kon hij wel nog naar links en rechts kijken, want de dode hoek zag hij niet in die vermaledije spiegeltjes. Als hij nou bij het in de dode hoek kijken zijn ogen zo ver mogelijk zou draaien, misschien kon hij dan de instructeur voor de gek houden en toch zichzelf dat vertrouwen geven die hij maar niet in de spiegels vond?
Die instructeur, dat was me toch wat. Zo’n vent die de hele tijd aan het meekijken was. Hij zat al je bewegingen in de gaten te houden. Nee, je mag niet naar de pook kijken, kijk naar buiten! De Primaat vroeg zich af of het mogelijk was om zelfstandig in die auto te zitten, maar toch met die man erbij, dus onbewust van zijn aanwezigheid. Want straks zou hij ook in zijn eentje moeten rijden. Dan was er geen richtingaangevend persoon meer in de auto. Of waren mensen er zo aan gewend geraakt dat ze daarom een TomTom kochten? Hoeveel mensen zouden het liefst hun rijinstructeur blijven horen, in plaats van het standaard TomTom stemmetje?

One thought on “ : Primaat in de Auto”
  • Grote G says:

    Leuk stukje! Ik vind de stijl van je schrijven erg passen bij de ouderwetse opvatting, die ermee gepaard gaat! Verder heb je helemaal gelijk! Autorijden is onnatuurlijk en niet heel erg gewild voor de normale primaat!

  • Please give us your valuable comment